|
PREPOSITIONAL
OBJECT A prepositional object always starts with a preposition. Prepositional objects occur in sentences in which the predicate partly consists out of a verb + a preposition to go with that verb. The preposition connects the prepositional object to the predicate. Some examples:
1.
Ik
twijfel aan deze methode.
(twijfelen aan)
2.
Ik
ben niet tevreden met deze computer.
(tevreden zijn met)
3.
Ik
luister niet graag naar hem.
(luisteren naar)
4.
Ik
waarschuwde haar voor de gevolgen.
(waarschuwen voor)
5.
Ik
verlang al maanden naar haar .
(verlangen naar) Underlined are the prepositional objects.
Prepositional object or adverbial object? Examples:
1.
Hij wacht op de brug.
2. Zij
wacht op haar vriendinnen. (op haar vriendinnen = voorzetselvoorwerp)
|